vonden onze weg door de bossen

om een kaart te tekenen

volgden de sporen tussen stammen

die ons nauwlettend gadesloegen

zagen in een hoefafdruk

de dag van een dier

 

onze voeten en de grond in gesprek

de dieren en de lucht die waakten

tekens gaven dekking boden

 

niemand ging dezelfde kant op als wij

 

er was de bereidheid om het koud te hebben

om te lopen met een lege maag

we dachten in het donker

sliepen met een kind op wacht

 

de ogen in de struiken

het ritselen van pootjes

de geur van bezig bos

 

vezels rechtop

zintuigen gespitst

leunend op het weten

 

dat wij dat waren

 

erbij hoorden

ertoe deden

erin zouden blijven